

VPO SCHRIJFT: Als deze koers werkelijkheid wordt, betekent dit uiteindelijk het einde voor de boer in Nederland, zoals wij die nu kennen.
De recente boerenprotesten laten opnieuw zien hoe groot de zorgen op het Nederlandse platteland zijn. Voor VPO gaat deze discussie inmiddels over veel meer dan stikstof alleen. Het gaat over de toekomst van onze boeren, over rechtszekerheid én over de vraag in hoeverre burgers en ondernemers nog mogen vertrouwen op besluiten van hun eigen overheid.
Aanleiding voor de onrust is onder meer de koers die het kabinet heeft uitgezet voor landbouw, natuur en stikstof. Daarin worden nieuwe emissiereducties, normen en maatregelen aangekondigd die grote gevolgen kunnen hebben voor agrarische bedrijven. Tegelijkertijd zien boeren in de praktijk dat zelfs bestaande natuurvergunningen ter discussie kunnen komen te staan.
En juist daar wordt voor VPO een principiële grens geraakt.
Een vergunning moet betekenis hebben
Een boer die jarenlang binnen de geldende regels heeft gewerkt en beschikt over een rechtsgeldig verleende vergunning, heeft op basis daarvan keuzes gemaakt. Er zijn stallen gebouwd, grond aangekocht, machines aangeschaft, financieringen afgesloten en bedrijven van generatie op generatie overgedragen.
Wanneer een overheid vervolgens de mogelijkheid gebruikt om zo'n vergunning in te trekken, kan daarmee in het uiterste geval de juridische basis onder een bedrijf verdwijnen.
Dat is iets wezenlijk anders dan vrijwillige bedrijfsbeëindiging. Bij een vrijwillige uitkoopregeling maakt een ondernemer binnen de voorwaarden van die regeling zelf de afweging of hij zijn bedrijf tegen vergoeding wil beëindigen. Bij het intrekken van een noodzakelijke vergunning kan die keuze hem juist uit handen worden genomen.
Dit raakt niet alleen boeren
Voor VPO gaat daarachter een nog veel fundamentelere discussie schuil. Want als een boer niet meer kan vertrouwen op zijn vergunning, raakt dat uiteindelijk een vraag die ons allemaal aangaat: waarop kan een burger dan nog wél vertrouwen wanneer de overheid een besluit neemt?
Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat besluiten van de overheid zorgvuldig tot stand komen, dat verleende vergunningen en rechten betekenis hebben en dat de overheid niet lichtvaardig terugkomt op besluiten waarop mensen hun woning, bedrijf, investeringen of toekomst hebben gebaseerd.
Dat raakt aan belangrijke algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Dat betekent niet dat een eenmaal verleende vergunning nooit gewijzigd of ingetrokken kan worden. Omstandigheden en wetgeving kunnen veranderen. Maar juist wanneer de overheid terugkomt op een eerder genomen besluit waarop een burger of ondernemer jarenlang heeft mogen bouwen, moet zij uiterst zorgvuldig handelen en de gevolgen daarvan zwaar laten meewegen.
Binnen VPO werd de mogelijke uitwerking van de huidige koers door iemand die zelf jarenlang boer is geweest dan ook scherp verwoord:
“Als deze koers werkelijkheid wordt, betekent dit uiteindelijk het einde van de boer in Nederland zoals wij die nu kennen.”
Dat zijn zware woorden. Maar ze geven wel aan hoe groot de zorgen zijn.
Niet over boeren, maar mét boeren
De landbouw heeft behoefte aan duidelijkheid en een toekomstperspectief waarop ondernemers daadwerkelijk kunnen bouwen. Regels kunnen niet voortdurend veranderen nadat boeren op verzoek van diezelfde overheid grote investeringen hebben gedaan.
Nieuwe maatregelen moeten daarom niet vanachter een bureau over het platteland worden uitgerold. Ze moeten samen met de mensen worden ontwikkeld die iedere dag met de gevolgen ervan moeten werken. Voor VPO is het uitgangspunt helder: geen beleid over boeren zonder boeren.
Nederland is óók boerenland
Wie op dit moment Nederland op Film van Omroep MAX bekijkt, ziet in oude amateurbeelden een Nederland dat we bijna dreigen te vergeten. In de aflevering Het boerenleven zien we hoe diep de boer en het boerenbedrijf met ons land verweven zijn. Het is een wezenlijk onderdeel van onze geschiedenis, onze dorpen, ons landschap en onze voedselvoorziening. De beelden laten tegelijkertijd zien hoe het boerenbedrijf mede door het overheidsbeleid in enkele generaties ingrijpend is veranderd.
Juist in het licht van de huidige discussie zijn die beelden veelzeggend. Als we spreken over de toekomst van de Nederlandse landbouw, spreken we niet alleen over stikstofcijfers, normen en vergunningen. We spreken over een sector die mede heeft gevormd wat Nederland vandaag de dag is. De vraag is daarom niet alleen hoeveel ruimte we de boer nog kunnen geven, maar ook hoeveel van dat Nederland we bereid zijn te verliezen.
Natuur is van grote waarde. Maar landbouwgrond en voedselproductie zijn dat óók.
Het één hoeft bovendien niet automatisch de vijand van het ander te zijn. De Nederlandse boer beheert al eeuwenlang een groot deel van ons landschap.
Voedselzekerheid is daarom niet alleen een landbouwvraagstuk. Het is ook een vraagstuk van nationale weerbaarheid en strategische onafhankelijkheid. Misschien moeten we ons daarom, voordat we opnieuw landbouwgrond of landbouwproductie opgeven, een heel eenvoudige vraag stellen: Willen we in een steeds onzekerder wereld voor onze eerste levensbehoefte steeds afhankelijker worden van andere landen, terwijl we de kennis, de grond en de boeren hebben om zelf voedsel te produceren? Heeft Europa zo’n macht dat wij dit laten gebeuren...
Deze brief moet van tafel. Ga terug naar de tekentafel, zet de boeren daadwerkelijk aan tafel en kom met beleid dat natuur en landbouw niet tegenover elkaar zet, maar boeren weer het vertrouwen en toekomstperspectief geeft om verder te kunnen.